Leerlingen met dyscalculie

Voor leerlingen met dyscalculie wordt geen aangepaste Centrale Eindtoets geleverd. Ook zijn geen specifieke hulpmiddelen toegestaan. Wel kan in de afnamecondities (door tijd) rekening worden gehouden met deze speciale ondersteunings­behoefte.

De Centrale Eindtoets lijkt daarmee in strijd met onder andere het Protocol ernstige reken-wiskundeproblemen en dyscalculie (het protocol ERWD) waarin wordt geadviseerd om leerlingen die ook na ondersteuning blijven vastlopen, met de rekenmachine verder te helpen. Andere deskundigen adviseren reken- en tafelkaarten. In het vo is er een aangepaste rekentoets voor deze leerlingen, met rekenmachine en rekenkaart.

Hieronder wordt aangegeven waarom een rekenmachine en rekenkaart bij de Centrale Eindtoets niet zijn toegestaan.

Rekenmachine en rekenkaart niet toegestaan

Bij het rekendeel van de Centrale Eindtoets tasten rekenmachine en rekenkaart de aard van de opgaven al snel aan. In ieder geval voor een deel van de opgaven geldt dat met deze hulpmiddelen het antwoord op de opgave geen waarde meer heeft. Bijvoorbeeld: de vraag 3535 gedeeld door 7 is met rekenmachine van een geheel andere orde dan zonder rekenmachine. Het resultaat op de toets is door gebruik van deze hulpmiddelen dan niet langer valide. De score van de leerling die (tegen de regels in) toch een rekenmachine heeft gebruikt, zegt weinig en kan niet worden vergeleken met de standaard. Voor de toekomst is voorzien dat in het onderdeel rekenen ook een aantal (andere) opgaven komen die specifiek geschikt zijn voor gebruik met de rekenmachine. Bij deze opgaven mogen  alle leerlingen de rekenmachine gebruiken. De ontwikkeling van dergelijke kwalitatief goede opgaven  en de inpassing ervan in de Centrale Eindtoets vergen tijd. In 2019 zitten er daarom geen opgaven met rekenmachine, reken- of tafelkaarten in de Centrale Eindtoets.

Het is van belang dat de eindtoets ook informatie geeft over wat de leerling niet kan. Ook in het vo hoort bij de standaardeisen dat de leerling berekeningen ­zonder rekenmachine en rekenkaart moet kunnen maken. Daarom moet de eindtoets opgaven zonder rekenmachine blijven bevatten.

De leerling met een rekenbeperking wordt in de Centrale Eindtoets wellicht onvoldoende in staat gesteld om te laten zien wat hij wél kan. Bijvoorbeeld te laten zien of hij rekenproblemen doorgrondt, terwijl hij abstracte rekenregels zoals tafels of gelijk­namig maken niet kan automatiseren. Dat laatste is wel van belang voor het vervolgonderwijs.

Rekenbeperking en vervolgonderwijs

Als de rekenscore de totaalscore van de leerling fors drukt, kan de school met het vervolgonderwijs nagaan of een advies voor een vo-opleiding passend bij het cognitieve niveau van de leerling en gebruik makend van de mogelijkheid van het traject voor ernstige rekenproblemen in het vo een mogelijkheid is. Van belang is daarbij: in het vo is, behoudens op het vwo, wiskunde geen verplicht examenvak. Op het vwo kan de leerling het vak wiskunde C kiezen, dat wel een beroep doet op inzicht in problemen met wiskunde/rekenaspecten, maar relatief weinig op geautomatiseerde rekenvaardigheden. De rekenmachine is daarbij toegestaan.

In alle schooltypen vo en ook in het mbo kan met de leerling worden gekozen voor een traject dat eindigt met een aangepaste rekentoets mét rekenmachine. Dat leidt tot vermelding op de cijferlijst en tot enige doorstroombeperkingen. Het bovenstaande is van belang voor de leerling die de problemen wel begrijpt, maar vastloopt op rekenroutines. Wie de rekenproblemen in hun context ook niet begrijpt, moet in het vo rekening houden met problemen bij veel andere vakken.

De school zou ter compensatie van de rekenresultaten zonder rekenmachine (in de eindtoets en daarvoor) rekening kunnen houden met de score van de leerling op geschikte contextrekenopgaven waarbij hij de rekenmachine heeft gebruikt.